Posterwoorden 14

 Posterwoorden 14

  1. heterogeen = als er veel verschillende soorten zijn
    P       Mijn school is heterogeen samengesteld: er zijn leerlingen van wel 20 verschillende landen.
    E       Mijn broertje zit in een heterogene klas: kinderen van verschillende leeftijden zitten bij elkaar.
  1. innemen = plaats of ruimte bezetten, soms met geweld
    P       Sportuitzendingen nemen op de televisie een belangrijke plaats in.
    E       De stad werd na een hevige strijd door rebellen ingenomen.
  1. je door iets laten = je gevoelens daar helemaal door laten bepalen meeslepen
    P      
    We lieten ons meeslepen door de thriller op televisie; we zaten op het puntje van onze stoel.
    E       Ik zing eigenlijk nooit mee in een stadion, maar nu werd ik toch door het publiek meegesleept.
  1. het nationalisme = alleen je eigen land of volk belangrijk vinden
    P       Als het Nederlands elftal speelt, blijkt overal het nationalisme: vlaggen, oranje petjes en gezang.
    E       Het nationalisme heeft vanaf de vorige eeuw voor veel oorlogen tussen de landen van Europa gezorgd.
  1. objectief = als je alleen op feiten let
    P       Een rechter probeert altijd een objectief oordeel te krijgen over een misdaad.
    E       Een Amsterdamse voetbalverslaggever moet ook de wedstrijd Ajax-Feijenoord objectief verslaan.
  1. het respect = de eerbied, de waardering
    P       In landen buiten Europa worden oudere mensen met veel meer respect behandeld.
    E       Uit respect voor het land dat hij bezoekt, kust de paus de grond.
  1. de samenleving = (het met elkaar samenleven in een) maatschappij
    P       In de huidige samenleving neemt de computer een steeds belangrijker plaats in.
    E       Er wordt wel een gezegd dat mensen in onze samenleving steeds egoïstischer worden.
  1. uitsluitend = alleen maar
    P       Er gingen uitsluitend jonge mensen naar de houseparty.
    E       Manuel eet uitsluitend rauwe groenten, geen gekookte.
  1. het vooroordeel = de mening die niet op feiten berust
    P       Dat hockey een sport voor de rijke jeugd is, is een vooroordeel.
    E       Veel mannen vinden dat vrouwen slecht autorijden. Uit onderzoek blijkt, dat deze mening een vooroordeel is.
  1. vrij = erg, nogal, tamelijk
    P       Er stond een vrij lange rij bij de kassa.
    E       De boodschappen die wij voor het weekend gekocht hadden waren vrij zwaar.