Posterwoorden 34

Posterwoorden 34

  1. relatief = nogal, vrij
    P       Je hebt relatief lang over het proefwerk gedaan. Ik had gedacht dat jij iets sneller klaar zou zijn.
    E       De prijzen in deze supermarkt zijn relatief hoog.
  1. overeenkomen met = hetzelfde zijn als
    P       Meestal ben ik het niet met je eens, maar nu komt mijn mening overeen met die van jou.
    E       Welke eigenschappen komen overeen met die van je vriend/in?
  1. constateren = merken dat het zo is
    P       De directeur constateerde dat er inbrekers in school waren geweest. Het raam was vernield en zijn computer was weg.
    E       Toen de brandweer bij het brandende huis aankwam, constateerden ze dat het huis niet meer te redden was..
  1. verbruiken = opmaken (door het te gebruiken)
    P       Deze koelkast verbruikt erg veel stroom. De elektriciteitsrekening is daardoor heel erg hoog.
    E       Als je 10 minuten onder de douche blijft staan, verbruik je wel erg veel water.
  1. eventueel = misschien, als het kan
    P       Rachid zou eventueel mee willen doen aan het schoolvoetbaltoernooi, maar hij weet het nog niet zeker.
    E       Kun jij eventueel morgen een dagje helpen bij het opruimen?
  1. respectievelijk = in deze volgorde
    P       Arie en Bart kregen respectievelijk 1 en 2 jaar gevangenisstraf. Arie kreeg dus 1 jaar straf en Bart 2 jaar.
    E       De drie broers heten respectievelijk: Kees, Koos en Klaas.
  1. gebruikelijk = normaal, gewoon
    P       In Nederland is het voor veel mensen gebruikelijk om Sinterklaas te vieren.
    E       Het is ongebruikelijk om overdag te slapen en ’s nachts te werken, maar het gebeurt wel.
  1. waarderen = fijn of belangrijk vinden
    P       We waarderen het dat je elke week boodschappen voor ons doet. Daar zijn we echt heel erg blij mee.
    E       De directeur kon het niet waarderen dat de jongen er al weer uitgestuurd was.
  1. hoewel = maar
    P       Bart ging toch naar school, hoewel hij liever wilde spijbelen.
    E       Hoewel Hans moe was, ging hij toch naar het schoolfeest.
  1. globaal = ongeveer, in grote lijnen
    P       Je hoeft alleen maar globaal te weten waar deze tekst over gaat. Je hoeft hem dus niet na te vertellen.
    E       De politieman vertelde globaal hoe het ongeluk gebeurd was. Hij wist het niet precies.

Meest recente berichten

  1. Infotheek Headlines – Oktober 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines – Oktober 2016
  2. Infotheek Headlines – September 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines – September 2016
  3. Infotheek Headlines – Juli 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines – Juli 2016
  4. Infotheek Headlines – Juni 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines – Juni 2016
  5. Infotheek Headlines – Mei 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines – Mei 2016
  6. Infotheek Headlines – April 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines – April 2016
  7. Infotheek Headlines Maart 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines Maart 2016
  8. Infotheek Headlines Februari 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines Februari 2016
  9. Infotheek Headlines Januari 2016 Reacties uitgeschakeld voor Infotheek Headlines Januari 2016