Posterwoorden 31

Posterwoorden 31

geld

Welk woord (of woorden) van deze week heeft (hebben) betrekking op de onderstaande afbeelding? 
Antwoord onderaan deze pagina.

  1. het budget = het geld dat je kunt uitgeven
    P       Ik vind die sportschoenen erg mooi, maar ze passen helaas niet in mijn budget.
    E       Ons budget is onvoldoende om twee keer per jaar op vakantie te gaan.
  1. de code = een manier om informatie door te geven, bijvoorbeeld met streepjes of cijfers
    P       In sommige supermarkten kun je de streepjescode van bijvoorbeeld een pak melk voor een apparaat houden om te kijken hoe duur het is.
    E       Om geld te kunnen pinnen bij een geldautomaat, moet je je pincode intoetsen.
  1. contant = met muntstukken of papiergeld
    P       Een ijsje of een reep chocola betaal ik met contant geld.
    E       Als ik met vakantie ga, heb ik voldoende contant buitenlands geld bij mij.
  1. de correctie = de verbetering
    P       De leerkracht had correcties aangebracht in de proefwerken van de leerlingen.
    E       Nick bekeek de correcties in zijn repetitie.
  1. functioneren = werken zoals de bedoeling is
    P       Omdat de stroom was uitgevallen, functioneerde ons koffiezetapparaat niet.
    E       De nieuwe leraar functioneerde goed; iedereen was tevreden over hem.
  1. onderwerpen aan = iemand iets (een bepaalde handeling) laten meemaken
    P       De docent onderwierp de leerlingen van zijn klas aan een grondig onderzoek, omdat er gevochten was op het schoolplein.
    E       De verdachte werd door de politie onderworpen aan een uitgebreid verhoor.
  1. ontwrichten = de normale gang van zaken verstoren
    P       Door een ongeluk op de weg was het verkeer in de ochtendspits totaal ontwricht.
    E       Een technische storing in de computer ontwrichtte het betalingsverkeer van de banken in Zuid-Holland.
  1. de theorie = het geheel van ideeën en regels waarop een vak of praktijkonderdeel is gebaseerd
    P       Habib wil later wiskundedocent worden; hiervoor moet hij veel wiskundetheorieën leren.
    E       Voor het halen van je rijbewijs moet je voorafgaand aan het praktijkexamen ook je theorie halen.
  1. verwekken = doen ontstaan, opwekken
    P       De mededeling dat er een zakkenroller op school rondliep verwekte veel onrust.
    E       In warme landen kan vuil water besmettelijke ziektes verwekken.
  1. voorzien van = ervoor zorgen dat iemand of iets het krijgt
    P       Op mijn verjaardag heeft mijn moeder mij geholpen, zij heeft mijn vrienden voorzien van koffie, thee en gebak.
    E       De camping was van alle gemakken voorzien, zoals goede douches, een campingwinkel en een zwembad.

    Antwoord: het budget en contant