Posterwoorden 29

Posterwoorden 29

  1. afscheiden = afzonderen, apart zetten
    P       Het koninklijke paleis is door hoge hekken afgescheiden van de omgeving.
    E       Het rookgedeelte van het restaurant is van het niet-rokengedeelte afgescheiden door plantenbakken.
  1. conservatief = als je alles bij het oude wil laten
    P       Marga vond haar broer maar conservatief, omdat hij zei dat afwassen vrouwenwerk was.
    E       Hij is lid van een conservatieve partij en tegen alles wat modern is.
  1. doorbreken (fig.) = een einde maken aan
    P       Hij doorbrak de stilte in de klas met een grappige opmerking.
    E       Door de vele aandacht in de media en de gesprekken die erover gevoerd werden, werd geprobeerd een taboe te doorbreken.
  1. in harmonie = mooi bij elkaar klinken of passen
    P       Wij houden met de buren het portiek schoon. Dat gaat altijd in goede harmonie.
    E       ’s Morgens vroeg word ik vaak wakker van de vogeltjes in de straat; elk vogeltje zingt anders en toch is het altijd in harmonie met elkaar.
  1. monotoon = eentonig, saai
    P       Er zit weinig variatie in de stem van de spreker, zijn stem klinkt erg monotoon.
    E       Het landschap zag er erg monotoon uit, kilometers achter elkaar dezelfde grauwe weilanden.
  1. het niveau = de hoogte, meestal van water of van een andere vloeistof
    P       Het niveau van het water in de rivieren is gestegen door de flinke regenbuien van de laatste dagen.
    E       Op de landkaart kon je de niveauverschillen duidelijk zien omdat elk niveau een andere kleur had.
  1. de oorzaak = datgene waardoor iets komt
    P       Het gladde wegdek was de oorzaak van de vele ongelukken in het verkeer.
    E       De fluitketel was drooggekookt. De oorzaak hiervan was dat ik vergeten was het gas uit te draaien.
  1. parallel aan = in rechte lijnen naast elkaar lopend, evenwijdig aan
    P       “De straat waar jij moet zijn loopt parallel aan de Hoofdstraat”, zei Cecile tegen haar vriendin.
    E       Murats beste vriend zat in de parallelklas van 2-vmbo; Murat zat in 2a en zijn vriend zat in 2b.
  1. rangschikken = sorteren en in volgorde zetten
    P       De postbode had de brieven gerangschikt op adres en huisnummer.
    E       In supermarkten zijn de spullen netjes gerangschikt, zodat je weet waar je moet zoeken.
  1. schijnbaar = zoals het lijkt
    P       Schijnbaar met veel gemak tilde hij de zware doos op, hij gaf geen kik.
    E       Jij bent het er schijnbaar niet mee eens, want ik zie dat jij je hoofd schudt.