Posterwoorden 28

Posterwoorden 28

  1. de beurs = het gebouw waar men producten presenteert of verkoopt
    P       Er stonden lange files rond Utrecht, omdat veel mensen de jaarlijkse beurs over vakantiereizen gingen bezoeken.
    E       Nevriz heeft op de huishoudbeurs een snijmachientje gekocht.
  1. het experiment = de proef
    P       Bij wijze van experiment mogen de fietsers nu door rood rijden als ze rechtsaf moeten.
    E       Om medicijnen uit te proberen, doen geleerden nog steeds experimenten met dieren.
  1. de handeling = wat je doet
    P       De koningin verrichtte een paar handelingen om de brug officieel te openen; ze knipte een lint door en wandelde naar de overkant.
    E       Je hoeft maar één handeling uit te voeren als je het licht aan wilt doen.
  1. invoeren = producten uit het buitenland naar het eigen land brengen.
    P       In de haven van Rotterdam wordt veel olie ingevoerd.
    E       Er staan zware straffen op het invoeren van drugs in Nederland.
  1. kwantitatief = wat je kunt tellen of meten, als het om de hoeveelheid gaat
    P       De Telegraaf heeft de meeste lezers van alle kranten. “De grootste krant van Nederland” is dus een kwantitatief oordeel.
    E       Volleybal is na voetbal in Nederland de tweede sport, kwantitatief gezien; er volleyballen veel mensen, maar nog meer mensen voetballen.
  1. neutraal = niet ergens voor of tegen zijn, onpartijdig
    P       De scheidsrechter was niet neutraal: hij floot steeds tegen ons team.
    E       De voorzitter van de vergadering liet voor- en tegenstanders aan het woord. Zelf bleef hij neutraal.
  1. de nijverheid = het maken van producten in de industrie
    P       In de metaalnijverheid werd gestaakt, omdat men het loon te laag vond.
    E       Een voorbeeld van nijverheid is de textielindustrie.
  1. de prikkel = iets waardoor je tot actie wordt aangezet, stimulans
    P       Dat Jeroen een cd zou krijgen bij een voldoende rapport, was een prikkel voor hem om hard te werken.
    E       Onze belangrijkste tegenstander heeft verloren en nu hebben wij weer kans om kampioen te worden. Dat is wel een prikkel om goed te spelen.
  1. primair = eerst, vooral
    P       Ik vind het primair van belang dat mensen elkaar met respect behandelen.
    E       De voetbalcoach was primair geïnteresseerd in het behalen van het landskampioenschap.
  1. verlopen = voorbijgaan, zich afspelen
    P       De reis is goed verlopen, er waren geen problemen.
    E       “Hoe is het gegaan bij het examen?”, vroeg ik hem. “Alles is naar wens verlopen”, antwoordde hij.