Posterwoorden 24

Posterwoorden 24

  1. uitbannen = verjagen
    P       Alma bande de gedachte aan zittenblijven uit haar hoofd en ging hard werken.
    E       Karim was veel te laat. Zijn moeder was ongerust en probeerde de gedachte aan een ongeluk uit haar gedachten te bannen.
  1. de concentratie = de hoeveelheid van een stof die in een andere stof zit
    P       Uit metingen blijkt dat er een hoge concentratie stikstof in de lucht zat.
    E       De concentratie van giftige stoffen in de zee werd hoger doordat het vrachtschip was gezonken.
  1. duurzaam = iets dat lang meegaat
    P       Elektrische apparaten in het huishouden horen tot de duurzame artikelen.
    E       Duurzame spullen zijn duurder en van betere kwaliteit dan spullen die snel kapot gaan.
  1. lozen = weg laten vloeien
    P       Dat bedrijf heeft vorig jaar afvalwater in de Rijn geloosd.
    E       Vroeger loosden de riolen in de binnenstad het water in de grachten.
  1. pleiten = praten zodat iemand of iets er voordeel van heeft
    P       De leerlingen van de derde klas hebben bij de directeur gepleit voor een huiswerkvrij weekend.
    E       De advocaat pleitte voor de vrijlating van de verdachte.
  1. progressief = als je iets in de maatschappij wilt (blijven) veranderen
    P       Mijn ouders stemmen altijd op een progressieve partij; ze vinden dat alles altijd anders en beter moet.
    E       Er zijn mensen die alles willen houden zoals het vroeger was, die zijn niet progressief.
  1. de reikwijdte = hoe groot het gebied is waarop een besluit resultaat heeft
    P       Een maatregel tegen spijbelen heeft een grotere reikwijdte als die door een minister wordt genomen, dan wanneer dit door een schoolhoofd gebeurt.
    E       Het verbod op kinderarbeid had in India een grote reikwijdte. In veel gezinnen kwam opeens te weinig geld binnen om van te leven.
  1. het reservoir = de plaats waarin vloeistof of gas bewaard wordt
    P       Om een stad van drinkwater te voorzien zijn grote reservoirs nodig
    E       In een thermometer zit een reservoir met een vloeistof die kan stijgen en dalen in een glazen buis.
  1. troebel = ondoorzichtig (van vloeistoffen), onzuiver
    P       De vissenkom moet snel schoongemaakt worden, want het water ziet er troebel uit.
    E       Ik ga niet in die rivier zwemmen, het water is zo troebel!
  1. vrijuit gaan = geen schuld hebben
    P       Margo ging vrijuit: zij was er niet bij toen het boek gestolen werd.
    E       De verdachte ging vrijuit, omdat er geen bewijzen tegen hem waren.