Posterwoorden 23

Posterwoorden 23

  1. afdragen = betalen van wat je hebt verdiend
    P       Niet alles wat je verdient, mag je houden. Je moet daarvan ook belasting afdragen.
    E       Van elk verkocht lot in de Giroloterij wordt een paar gulden afgedragen aan goede doelen.
  1. de decoratie = de versiering van kamers, gebouwen en straten
    P       Veel mensen bekijken graag de mooie decoraties in oude paleizen, zoals schilderijen en wandtapijten.
    E       Op Koninginnedag zie je veel decoraties aan gebouwen en huizen; je ziet bijvoorbeeld veel Nederlandse vlaggen.
  1. de elite = de besten, een kleine groep met geld of kennis
    P       Vroeger was op vakantie gaan alleen iets voor de elite.
    E       In dat dure restaurant komt alleen maar elite.
  1. de omwenteling = grote verandering
    P       De uitvinding van de computer heeft voor een omwenteling gezorgd; veel werk gaat sneller en makkelijker dan ooit.
    E       De invoering van de vijfdaagse werkweek was een grote omwenteling; voor die tijd kon niemand ooit een weekendje uit.
  1. pachten = land of gebouwen gebruiken tegen betaling
    P       Jagers pachten een stuk land waarop zij in het najaar kunnen jagen.
    E       Niet alle boeren hebben eigen grond. Meestal is de grond gepacht van een eigenaar.
  1. stilstaan bij = aandacht besteden, denken aan
    P       Sta je er wel eens bij stil, dat een eeuw geleden veel kinderen van twaalf jaar al in een fabriek werkten?
    E       Mody weigerde het stuk chocolade, dat Lenny hem gaf. Lenny had er niet bij stilgestaan, dat het ramadan was.
  1. toebrengen = (iets naars) aandoen
    P       In de laatste wedstrijd van het seizoen werd ons voetbalteam een enorme nederlaag toegebracht.
    E       De overstroming van de Maas heeft de huizen aan de kade erg veel schade toegebracht.
  1. uitbreken = plotseling heel sterk beginnen
    P       Na de zware overstromingen brak er een epidemie uit.
    E       Er brak paniek uit onder de bezoekers van de disco, toen het brandalarm afging.
  1. verachten = niet waarderen, geen rekening mee willen houden
    P       Autocoureurs beoefenen een gevaarlijke sport. Om dat te doen moet je de dood verachten.
    E       Ik veracht racisten zo, dat ik niet eens met ze wil praten.
  1. het voorrecht = het recht dat anderen niet hebben.
    P       Een minister heeft een paar voorrechten, zoals een auto met chauffeur.
    E       Omdat ik bij het theater werk, heb ik het voorrecht om voor niks de voorstelling te zien.