Posterwoorden 22

Posterwoorden 22

  1. de discipline = altijd doen wat van je verwacht wordt
    P       Er zijn in het leger veel regels waar je je aan houden moet, er is veel discipline.
    E       Om elke middag na schooltijd je huiswerk te maken, heb je veel discipline nodig.
  1. geducht = belangrijk en daarom ben je er een beetje bang voor, gevreesd
    P       In het toernooi moest Jorrit voetballen tegen FC Spangen, een sterk en daardoor een geducht elftal.
    E       Bij het schaaktoernooi was de kampioen van vorig jaar een geduchte tegenstander.
  1. de kans zien om = ergens in slagen, het lukken van iets
    P       Ashvin zag kans om in de trein te springen net voor de deuren sloten.
    E       Vlak voor het sluiten van de supermarkt zag Lesley nog kans om boodschappen te doen.
  1. omsingelen = ergens dreigend in een kring omheen staan
    P       De politieagenten hadden het gekraakte huis omsingeld.
    E       Toen de populaire zanger het concertgebouw wilde verlaten, werd hij omsingeld door een grote groep opdringerige fans.
  1. onbenullig = dom, zonder betekenis
    P       Wat jammer dat ik geen 10 had voor mijn werk. Ik had alleen een paar onbenullige foutjes gemaakt.
    E       In reclames voor wasmiddelen hoor je vaak dezelfde onbenullige gesprekjes.
  1. de orde bewaren = zorgen dat het rustig blijft
    P       De politie moet de orde bewaren bij demonstraties en optochten.
    E       De jonge docent had geen enkele moeite met het bewaren van de orde in zijn klas.
  1. zich schuldig maken aan = iets doen wat niet mag
    P       Veel mensen maken zich schuldig aan foutparkeren.
    E       Als jij die pakjes sigaretten meeneemt zonder te betalen, maak jij je schuldig aan diefstal.
  1. het verbond = de overeenkomst om samen te werken
    P       De Europese landen hebben een verbond met elkaar gesloten om veel te gaan samenwerken.
    E       In de 16e eeuw hebben zeven gewesten in Nederland een verbond met elkaar gesloten om de strijd tegen de Spaanse koning te beginnen
  1. de uitwerking = het resultaat, het effect
    P       Het medicijn had niet de goede uitwerking: de patiënt werd er juist zieker van.
    E       De vervelende opmerking miste zijn uitwerking niet: er ontstond ruzie tussen de twee kinderen.
  1. de veronderstelling = dat waarvan je denkt dat het waar is
    P       Samir is het eerste uur niet op school gekomen, omdat hij in de veronderstelling was dat de leraar nog ziek was.
    E       Dat je van het eten van aardappels dik wordt, is een foute veronderstelling.