Posterwoorden 21

Posterwoorden 21

  1. de balans opmaken = een overzicht krijgen van wat goed en fout ging
    P       In elk bedrijf maak je aan het eind van het jaar de balans op. Dan weet je pas wat je verdiend hebt.
    E       Je doet nu erg je best op school, maar bij het paasrapport kunnen we de balans opmaken
  1. het beheer = het zorgen voor iets, er voor verantwoordelijk zijn
    P       Dit natuurgebied is in beheer bij de Vereniging van Natuurmonumenten.
    E       De conciërge heeft de sleutels van de school in beheer.
  1. de export = het verkopen van producten aan het buitenland
    P       De export van Nederlandse bloemen naar Oost-Europa is flink toegenomen.
    E       Het boerenbedrijf wil zich nu gaan richten op de export van kaas naar China.
  1. het fortuin = grote hoeveelheid geld
    P       Richard hoopt een fortuin te winnen in de loterij.
    E       In die villa woont een man die een fortuin heeft verdiend met zijn cd-winkels.
  1. lukraak = zonder er eerst over na te denken
    P       Hans had zijn huiswerk niet geleerd en gaf lukraak antwoord op de vragen van de leraar.
    E       Alle trams rijden vanaf hier naar het centrum; als je daarnaartoe wilt kun je er lukraak een kiezen.
  1. het monopolie = als enige het recht hebben om iets te verkopen
    P       De NS heeft lange tijd het monopolie gehad op het treinverkeer in Nederland. Nu mogen ook andere bedrijven (op sommige trajecten) treinen laten rijden.
    E       Tegenwoordig kun je een telefoon kopen bij verschillende winkels. KPN heeft niet langer het monopolie.
  1. netto = wat je aan geld overhoudt na aftrek van kosten of verpakking
    P       Deze pot bevat netto 350 gram pindakaas. De pot en de pindakaas wegen samen 400 gram.
    E       De televisieactie voor slachtoffers van de overstroming heeft 10 miljoen gulden opgebracht.De netto-opbrengst is minder, want de kosten van de uitzending gaan er nog af.
  1. het saldo = wat je aan geld overhoudt
    P       Deze maand kan ik geen kleren kopen; het saldo op mijn girorekening is niet hoog genoeg.
    E       De kosten van het schoolfeest worden betaald met het saldo van de verkoop van frisdrank.
  1. vestigen = een vaste plaats krijgen of geven
    P       In alle landen zit de regering in de hoofdstad. In Nederland is de regering echter gevestigd in Den Haag.
    E       Mijn ouders willen zich later voorgoed in Marokko vestigen.
  1. weloverwogen = als je ergens goed over hebt nagedacht
    P       Een beroep kies je niet zomaar; na een goed advies neem je een weloverwogen besluit.
    E       Het heeft lang geduurd voordat de brug er kwam. Er moest een weloverwogen besluit genomen worden over de goede plaats.