Posterwoorden 19

Posterwoorden 19

  1. aansporen om = zorgen dat iemand iets gaat doen
    P       De trainer spoorde zijn spelers aan om meer samen te spelen.
    E       Aangespoord door de successen van de schaatsploeg, meldden veel kinderen zich aan bij de schaatsclub.
  1. afleiden uit = een conclusie trekken
    P       De agent leidde uit het rijgedrag af, dat de bestuurder dronken was.
    E       Uit de verschillende bewijsstukken werd afgeleid wie de moord gepleegd had.
  1. afstaan = weggeven
    P       Sta in de bus je zitplaats af aan oude mensen.
    E       Tijdens de televisie-uitzending over de hongersnood deed de presentator een oproep om geld af te staan voor de slachtoffers.
  1. bemachtigen = iets met moeite te pakken krijgen
    P       Ga vroeg in de rij staan, misschien kun je dan nog kaartjes bemachtigen.
    E       Na lang zoeken konden wij eindelijk een plekje met een mooi uitzicht bemachtigen.
  1. corrigeren = verbeteren, de fouten eruit halen
    P       De docent corrigeerde de proefwerken van de leerlingen.
    E       Niemand kon zien dat zij de fouten in haar getypte brief had gecorrigeerd.
  1. de gordel = band (om je middel)
    P       Als ik met mijn moeder mee naar de stad rijd, moet ik altijd mijn autogordel omdoen.
    E       Het regenwoud in Indonesië is zo groen, vanuit de lucht is het een gordel van smaragd.
  1. de mimiek = de uitdrukkingen van je gezicht
    P       Hoe een clown zich voelt, zie je aan zijn mimiek.
    E       Je kan aan zijn mimiek zien dat hij heel erg boos is.
  1. iets oogluikend toestaan of toelaten = iets toestaan wat eigenlijk niet mag
    P       De politieman liet oogluikend toe dat ik mijn auto fout parkeerde.
    E       Je mag niet eten in de klas, maar sommige leraren staan het oogluikend toe.
  1. het tafereel = een situatie of plaatje om naar te kijken
    P       Vanuit de trein zagen wij een mooi winters tafereel: schaatsers op het ijs en besneeuwde bomen.
    E       Op dit middeleeuwse schilderij zie je taferelen van kinderspelen.
  1. tastbaar = wat je vast kunt pakken
    P       Anton was heel zuinig met zijn zakgeld omgegaan. Zijn nieuwe walkman is daarvan het tastbare resultaat.
    E       In het Schoolmuseum is het schoolleven van vroeger bijna tastbaar.