Posterwoorden 16

Posterwoorden 16

  1. afsteken tegen = opvallen door verschillen, bijvoorbeeld in kleur of omvang
    P       De nieuwe flats steken nogal af tegen de oude gebouwen.
    E       Tijdens de voetbalwedstrijd werd de witte bal vervangen door een oranje, want de witte bal stak niet af tegen de sneeuw.
  1. het argument = de goede reden
    P       De verkoop van ivoor is verboden; het argument is dat er anders geen olifant meer overblijft.
    E       David mocht op zondag niet laat thuiskomen. Het argument was dat hij ’s maandags weer vroeg naar school moest.
  1. averechts = het tegenovergestelde van wat je wilde
    P       Als je mijn kleine broertje iets verbiedt, werkt dat averechts: hij doet het dan expres nog eens.
    E       De oude muur op het plein was mooi wit geschilderd. Het effect was averechts, want nu staat het vol met graffiti.
  1. het bestanddeel = een deel van iets, een stof
    P       In deze reep chocola is het grootste bestanddeel cacao.
    E       Voor het bakken van een cake gebruik je verschillende bestanddelen, zoals bakmeel en boter.
  1. de brij = de dikke vloeistof
    P       Bij mijn oma krijg ik altijd rijstepap, die eruit ziet als een brij.
    E       Pas op dat je niet te veel bloem in de saus gooit, anders wordt het een (dikke) brij!

  2. herzien = opnieuw bekijken of overdenken
    P       Nu ik vee meer informatie heb, wil ik mijn mening herzien.
    E       Ik wilde gaan wandelen, maar nu het gaat regenen herzie ik mijn besluit.
  1. perfect = volmaakt, zonder fouten
    P       Gert werkt hard om een perfect werkstuk te kunnen inleveren.
    E       De atleet maakte een perfecte sprong.
  1. twijfelachtig = misschien niet waar, onzeker
    P       Het is twijfelachtig of het feest doorgaat, nu de jarige ziek is.
    E       Door de dichte mist is het twijfelachtig of het vliegtuig op tijd zal landen.
  1. een beroep = werken in een beroep uitoefenen
    P       De arts oefent al vele jaren zijn beroep uit.
    E       Als je lang een beroep uitoefent, krijg je veel ervaring.
  1. vastberaden = als je jouw plan beslist wilt uitvoeren
    P       Ik ga nu een afspraak maken met de tandarts, zei zij vastberaden.
    E       Vastberaden ging hij aan de slag om nu eens een goed cijfer te halen.