Posterwoorden 12

Posterwoorden 12

  1. afvaardigen = iemand van je land, stad of vereniging ergens naar toe sturen
    P       De klas vaardigde twee leerlingen af naar de vergadering over het schoolfeest.
    E       Een paar leerlingen werden afgevaardigd naar de landelijke wiskundewedstrijd.
  1. de concurrentie = als je met iemand strijdt om de beste te zijn of als een bedrijf meer winst wil maken dan een ander
    P       Er bestond al heel lang een harde concurrentie tussen de twee schaatsers.
    E       De twee videotheken in dezelfde straat voerden flink concurrentie met elkaar.
  1. hooguit = maximaal
    P       Tegenwoordig reis je in hooguit vijf uur met de auto naar Parijs.
    E       “Het kost me hooguit twee dagen om dit werkstuk af te ronden”, zei Brigitte.
  1. informeel = als je als goede vrienden met elkaar omgaat, gemakkelijk
    P       Er was een informele sfeer op het afscheidsfeestje van de leraar.
    E       De toespraak van de directeur was heel informeel, hij maakte af en toe een grapje.
  1. de introductie = de eerste kennismaking
    P       Voor de nieuwe leden van de vereniging werd een introductieavond georganiseerd.
    E       Er is een nieuw wasmiddel te koop. Ter introductie kost het nu maar de helft.
  1. onlangs = korte tijd geleden
    P       Onlangs vertelde mijn broer dat hij zich had opgegeven voor The voice of Holland.
    E       We dachten dat tbc allang niet meer voorkwam, maar onlangs waren er in Gelderland toch weer zes mensen besmet.
  1. het raakvlak = het punt van overeenkomst
    P       Ik heb veel raakvlakken met mijn broer; zo houden wij van dezelfde muziek.
    E       Het vak geschiedenis heeft raakvlakken met het vak aardrijkskunde.
  1. de saamhorigheid = het gevoel dat je bij elkaar hoort
    P       Er was een grote saamhorigheid tussen de leerlingen in de klas.
    E       De plotselinge ruzie verstoorde de saamhorigheid in de groep.
  1. het talent = iets dat je heel goed kan, aanleg voor iets
    P       Chantal heeft talent om te zingen, zij zingt heel zuiver.
    E       “Wat een talent!”, riep de leraar uit bij de toneelrepetitie van groep acht.
  1. de uitwisseling = de ruil
    P       De scholieren deden mee aan een uitwisseling: eerst gingen zijn naar een school in Berlijn daarna kwamen Berlijnse scholieren hiernaartoe.
    E       Na afloop van het museumbezoek was er een uitwisseling van ervaringen.